Abstract History

solo exhibition

Exhibition poster design.

Info

Vernissage
Thursday 9 February 2012, 18:00

Exhibition
9 February 2012 – 6 March 2012
Weekdays, 08:30 – 18:00

Sint-Lucas Kunstsecundair
Sint-Jozefstraat 35, 2018 Antwerp, Belgium

Exhibition Guide

The work of Oscar Hugal (Antwerp, 1986) can be interpreted from the tradition of conceptual art, but that doesn’t mean he ‘exhibits’ intangible ideas. His visual language does condense an artistic thought process, but that process is not purely linguistic. The images and concepts he uses are not black holes into which thinking and looking disappear, but paradoxically enough both are material to set the thinking process in motion (and thus produce language). All four works shown as part of Wallpiece literally have a linguistic component, but here the language never serves as an explanation or as ersatz for what is shown. Both language and image are simply motors for proliferate works which are in fact only created in the viewer’s imagination.

This is certainly the case with As Orange as an Orange, a photograph purchased from the Getty Images image bank of a black box juxtaposed with the technical description Getty supplies with the image. Rather than explaining the contents of the black box, the text comprises technical information about the two-dimensional image. In the first instance the work can be seen as a metaphor for the impossibility of extracting objective content from artworks. What is important here, however, is not so much the secret of the contents of the black box or the ‘objective’ technical description of the two-dimensional image, but rather the tension between the different components, the interspace in the work as a whole, which is circular and paradoxical in character. Likewise the title doesn’t actually say anything about the nature of the ‘orange’ as a fruit or about the colour ‘orange’ , but comes up with an inescapable tautology that suggests an inconceivable and transcendent ‘real’ domain beyond language and image.

Machines are also at work in № 1 (Orange and Yellow). Here Hugal used Google to select works by Mark Rothko featuring the colours orange and yellow. He then looked for the catalogue descriptions for the chosen works, which he presents in the absence of the ‘originals’. The automatisms – the catalogue’s uniformized description, the Google search process and the choice of the search words ‘yellow’ and ‘orange’ – produce a textual composition which contrasts with the mystical, transcendental experience of Rothko’s work. Here Hugal plays off the language against the absent images, thereby producing a different form of abstraction that is irreconcilable with those images.

In terms of inspiration Vir Heroicus Sublimis is closely linked to № 1 (Orange and Yellow), but takes the transcendental aesthetics of another abstract expressionist as its starting point. A close-up photograph of Barnett Newman’s enormous painting Vir Heroicus Sublimis is projected by a slide projector into the gallery space. At the original exhibition in 1951 Newman tacked a sign onto the wall instructing the public to view the work from close-to. Here that presupposed sublime experience, whereby the viewer should almost lose himself in the work, is turned inside out: the projector replaces the gaze of the ‘original’ viewer of Vir Heroicus Sublimis and the sublime is captured in and transformed by the reproduction medium. The sublime reaction referred to by Newman in his text is not transferable and so literally disperses in the air.

In all these works the gap between the regimes of language and image seems unbridgeable. Or, on display in the window in Lange Leemstraat, not only emphatically has a material and linguistic presence, but it also suggests that the language itself is a formal and quasi-spatial system. For what is the word ‘OR’ in isolation if not a meaningless building block, a word that establishes a formal relationship but says nothing without a context? One might even say that the word in its material neon form conjures up the whole world around us as an indescribably large – a boundless – entity of potential meanings and links between images/words. Here language and image are both linguistic and visual.

Despite occupying the ‘autonomous’ domain of abstraction and the transcendental, Hugal’s works nevertheless derive from a particular juncture in time, which is characterized by specific technologies. They conjure up search machines and selection procedures and thus say something about the technological and media-dependent production of reality. In this way Hugal rewrites the history of abstraction, or rather, he places the abstract in a historical context and questions its unworldly pretensions. With Hugal the visual abstraction always assumes linguistic forms, forms which cannot be separated from the reality as it is mediated today.

Text by Koen Sels. Translation by Alison Mouthaan.

Exhibition Guide (NL)

Het werk van Oscar Hugal (Antwerpen, 1986) kan worden gelezen vanuit de traditie van de conceptuele kunst, maar dat betekent niet dat hij immateriële ideeën ‘tentoonstelt’. Zijn beeldentaal condenseert zeker een artistiek denkproces, maar dat proces is niet louter talig. De beelden en concepten die hij aanwendt zijn geen zwarte gaten waarlangs het denken en het kijken verdwijnen, maar zijn paradoxaal genoeg beide materiaal om het denken op gang te brengen (en dus om taal te produceren). De vier werken die Hugal in het kader van Wallpiece toont hebben allemaal letterlijk een talige component, maar de taal fungeert hier nooit als verklaring of als Ersatz van het getoonde. Taal en beeld zijn beide slechts motoren voor woekerende werken die in feite pas in de verbeelding van de toeschouwer werkelijk ontstaan.

Dat gaat zeker op voor As Orange as an Orange, een op de beeldenbank Getty Images aangekochte foto van een zwarte doos die geconfronteerd wordt met de technische beschrijving die Getty bij het beeld levert. De tekst geeft geen uitsluitsel over de inhoud van de zwarte doos, maar bevat technische informatie over het tweedimensionale beeld zelf. Het werk kan in eerste instantie gelezen worden als een metafoor voor de onmogelijkheid om aan kunstwerken een objectieve inhoud te onttrekken. Toch gaat het er hier niet zozeer om het geheim van de inhoud van de zwarte doos of om de ‘objectieve’ technische beschrijving van het tweedimensionale beeld. Wat telt, is de spanning tussen de verschillende componenten, de tussenruimte van het gehele werk, dat een circulaire, paradoxale aard heeft. Zoals de titel in feite niets zegt over de aard van het object ‘sinaasappel’ of de kleur ‘oranje’, maar een onontvluchtbare tautologie opzet die een ondenkbaar en transcendent ‘reëel’ domein buiten taal en beeld suggereert.

Ook in № 1 (Orange and Yellow) zijn machines aan het werk: via Google selecteerde Hugal die werken van Mark Rothko waarin de kleuren oranje en geel voorkomen, waarna hij voor de gevonden selectie de catalografische beschrijvingen opzocht, die hij presenteert in afwezigheid van de ‘originelen’. Drie automatismen — de geüniformeerde beschrijving van de catalogus, de zoekprocedures van Google, en de keuze voor de zoektermen ‘geel’ en ‘oranje’ — leveren een tekstuele opstelling op die contrasteert met de transcendente mystiek van Rothko’s werk. De taal wordt hier uitgespeeld tegen de afwezige beelden, waardoor een andere, met die beelden onverzoenbare vorm van abstractie wordt geproduceerd.

Vir Heroicus Sublimis sluit wat inspiratie betreft nauw aan bij № 1 (Orange and Yellow), maar vertrekt van de transcendente esthetiek van een andere abstract expressionist. Een diaprojector projecteert een close-upfoto van Barnett Newmans grootschalige schilderij Vir Heroicus Sublimis de ruimte in. Tijdens de oorspronkelijke tentoonstelling in 1951 spoorde Newman de toeschouwer aan de hand van een citaat aan het werk van dichtbij te bekijken. Die veronderstelde sublieme ervaring, waarbij men haast zou moeten kunnen opgaan in het werk, wordt hier binnenstebuiten gekeerd: de projector komt te staan voor de blik van de ‘oorspronkelijke’ toeschouwer van Vir Heroicus Sublimis en het sublieme wordt gevangen in en getransformeerd door het reproductiemiddel. De sublieme ervaring die Newman veronderstelt in de tekst is niet overdraagbaar en lost zo letterlijk op in lucht.

In al deze werken lijkt de kloof tussen de regimes van taal en beeld onoverbrugbaar. Or, te zien in de vitrine in de Lange Leemstraat, is niet alleen nadrukkelijk een materiele én talige aanwezigheid, maar suggereert ook dat de taal zelf een formeel en quasi-ruimtelijk systeem is. Want wat is het woord ‘OR’ anders dan een op zichzelf betekenisloze bouwsteen, een woord dat een formele relatie legt maar dat zonder context niets zegt? Men zou zelfs kunnen zeggen dat het woord in zijn materiële verschijningsvorm als neon de hele wereld rondom oproept als een oneindig — een onzegbaar groot — geheel aan potentiële betekenissen en verbanden tussen beelden/woorden. Taal én beeld zijn hier beide talig en beeldend.

Ondanks het feit dat Hugals werken zich begeven in het ‘autonome’ domein van de abstractie en het transcendente, zijn ze toch een afgeleide van een specifiek tijdsgewricht,  dat gekenmerkt wordt door specifieke technologieën. Ze roepen zoekmachines en selectieprocedures op en zeggen zo iets over de technologische en media-afhankelijke productie van realiteit. Op die manier herschrijft Hugal de geschiedenis van de abstractie of beter gezegd: plaatst hij het abstracte in een historisch perspectief en bevraagt hij haar onwereldse pretenties. De visuele abstractie neemt bij Hugal steeds weer talige vormen aan, vormen die niet kunnen worden losgekoppeld van de werkelijkheid zoals die vandaag gemedieerd wordt.

Text by Koen Sels.